Biotoop: Het Ree is van nature een typische bos – en struweelsoort. Reeën vertoeven bij voorkeur in overgangsgebieden tussen verschillende biotopen. Dit laat hen toe om, zonder grote afstanden te moeten overbruggen, zowel gebruik te maken van kruidige gewassen op open plekken of landbouwgewassen in het veld, alsook van de beschutting en dekking die geboden wordt door bosbestanden en struwelen. Dit weerspiegelt zich in grote verscheidenheid aan biotopen die Reeën kunnen benutten.

Voorkomen: Het Ree komt in heel Europa voor, van natte valleigebieden tot vlak boven de boomgrens in gebergte.

Paartijd: De bronstijd vindt plaats tussen half juli en half augustus. Er treedt echter een kiemrust in werking na de bevruchting, omdat anders de jongen geboren worden in de winter. De groei en de ontwikkeling van de foetus start pas in de maand december. De jongen worden geboren tussen half mei en half juni. 1 tot 3 jongen per geit.

Kenmerken: De schofthoogte ligt meestal tussen de 60 – 75 cm, gewicht 15 tot 30 kg,  leeftijd 15 jaar.

Voedsel: Omwille van zijn verteringssysteem is de Ree aangewezen op het selecteren van plantendelen die rijk zijn aan eiwitten, koolhydraten en arm aan cellulose. Het Ree eet dan ook vooral de knoppen, jonge twijgen en jonge bladeren van de planten die in zijn leefgebied voorkomen. Door de beperkte maaginhoud is het Ree verplicht verschillende malen per dag kleine hoeveelheden voedsel op te nemen en te rusten in de tussenperioden.