Biotoop: Landschappen met bossen, velden en struikgewassen. De vlucht van een Dwergarend is enigszins schommelend en doet aan die van Kiekendieven denken. Bij geschikte opstijgende luchtstromingen brengt hij bijna de hele dag zwevend hoog in de lucht door. In september of oktober verlaten de Dwergarenden hun broedgebieden en trekken ze naar het zuiden, tot in de Savannen van Afrika. In de loop van April verschijnen ze weer in hun broedgebieden.

Voorkomen: Zomergast in zuidwest – en zuidoost – Europa en komt voor in Spanje, Portugal, Zuid – Frankrijk en van Hongarije tot Griekenland, oostwaarts tot in Rusland en Centraal – SiberiĆ«. Overwintert op de Savannen van Afrika en India.

Broedtijd: Mei – juli, Nest bekleed met groene bladeren, gebouwd in bomen of op rotsen, 1 – 2 eieren.

Kenmerken: Lengte 46 – 52 cm, spanwijdte 113 – 134 cm, gewicht 720 – 960 gram, leeftijd geen info gevonden

Voedsel: De krachtige poten, met een flinke grijpwijdte en sterke klauwen, verraden dat de Dwergarend een echte arend is. Hij jaagt deels op de bodem, deels in de lucht op allerlei prooidieren, van hagedissen tot konijntjes en van kleine zangvogeltjes ter grote van een kwartel. Zijn territorium is behoorlijk groot, zodat men de vogel niet snel te zien krijgt.