Biotoop: In Poelen en plassen met veel oeverbegroeiing. In de winter meest langs de kust, minder op binnenwateren.

Voorkomen: In Oost – Europa talrijke broedvogel, in Midden – Europa is het een zeldzame. Het is een trekvogel, die zich van oktober tot maart in winterkwartieren in West – en zuid – Europa ophoudt en dan in klein aantal langs onze kust doortrekt.

Broedtijd: Mei – september, Het drijvend nest bevindt zich tussen het riet, maar soms ook volkomen open tussen drijftillen, bij voorkeur in de buurt van Kokmeeuwen kolonie. Het steekt voor steekt 9/10 de deel onder water en ook slechts enkele centimeters boven het wateroppervlakte uitstekende gedeelte heeft zich volledig met water volgezogen. Bovendien dekt het ouderdier de eieren voor het verlaten van het nest met rotte waterplanten af.  3 – 5 eieren.

Kenmerken: Lengte 40 – 46 cm, spanwijdte 77 – 85 cm, gewicht 750 – 1000 gram, leeftijd 11 jaar.

Voedsel: Kleine visjes en kikkers, kikkervisjes, wormen, slakken, waterinsecten, aangevuld met plantaardig voedsel, zoals jonge scheuten van waterplanten en rietzaden. Het voedsel wordt deels zwemmend van het wateroppervlak opgepikt, deels duikend verschalkt. Onderwater kunnen ze 50 meter afleggen. Wanneer ze zich bedreigd voelen, dan vluchten ze in de waterplantengordel en verbergen ze zich onder water, waarbij alleen de snavel en de ogen erboven uitsteken.