Biotoop: Konijnen mijden koude en vochtige milieus. Hun holen graven ze bij voorkeur in zanderige bodems. Ze verkiezen graslanden en weilanden die omgeven zijn door bossen, hagen, braakliggende stukken, enz.

Voorkomen: Het konijn komt oorspronkelijk voor in Europa. De soort is op alle continenten geïntroduceerd, behalve op Antarctica. Het oorspronkelijk verspreidingsgebied omvatten het Iberische Schiereiland en later Zuid – Frankrijk en Noord – Africa. In de loop der Eeuwen is het Konijn geïntroduceerd in vrijwel geheel West – en Midden – Europa is het daar algemeen en talrijk, met uitzondering van rotsachtige gebieden en hooggebergte. Het Konijn ontbreekt op het grootste deel van de Balkan, in Noord – Europa, met uitzondering van Roemenië.

Paartijd: Begint normaal gezien in februari en loopt tot eind juli. Konijnen verblijven in een konijnenburcht, een uitgestrekt ondergronds systeem van tunnels en kamers. Holen worden bij voorkeur in het middelste en bovenste deel van de hellingen uitgegraven. Als kraamnest worden 1 m lange pijpen gegraven, die in een nestkamer uitmonden, 4 tot 6 jongen.

Kenmerken: Lengte kop – romp 35 – 45 cm, oorlengte 6,5 – 7,5 cm, staartlengte 4 – 8 cm, gewicht 1,2 – 2,5 kg, leeftijd gemiddeld 2 jaar.

Voedsel: Als planteneters eten Konijnen grassen, kruiden, loten, bast en akkergewassen. Ze foerageren selectief en kiezen eiwitrijke en licht verteerbare delen. Het dieet van Konijnen vertoont een grote variatie in ruimte en tijd. In de kustgebieden bestaat een groot deel uit grassen en grasachtigen, maar dat het aandeel van kruiden zeer sterk toeneemt tijdens de zomermaanden.