Biotoop: De soort vestigt zich op vijvers met zoet, stilstaand water, rijkelijk voorzien van waterplanten en met ten minste een tiental aren open water. Vroeger waren een gordel van moerasplanten en struikgewas in het moeras een noodzaak. Weinig vervolgd, wordt de soort vertrouwelijk en vestigt zich ook op waters met weinig begroeide of zelfs gebetonneerde oevers (vijvers van stadsparken). Ze bouwt haar nest niet meer tussen de moerasplanten, maar op ondergedompelde boomstronken, op bomen die in het water liggen, en zelfs op de oever. De Meerkoet nestelt momenteel in grote verscheidenheid van moerassen, vijvers, dode rivierarmen, waterbekkens, terreinen die ten gevolgen van grote werken overstroomden(vooral voor havenwerken en autowegen) en ook in klein aantal op decantatieputten, kasteelgrachten, ondergelopen steengroeven en stuwmeren. Hij nestelt niet langs rivieren maar wel langs kanalen met een zekere breedte en begroeide oevers. Zure vennen en vijvers worden weinig bezet.

Voorkomen: In Europe een algemene standvogel, zomergast of wintergast. In BelgiĆ« en Nederland zeer talrijke broedvogel – jaarvogel – doortrekker en wintergast in zeer groot aantal.

Broedtijd: Maart – augustus, nest bij het water, 5 – 10 eieren.

Kenmerken: Lengte 36 – 42 cm, spanwijdte 50 – 55 cm, gewicht 250 – 340 gram, leeftijd 20 jaar.

voedsel: Alleseters.