Biotoop: Van de vier in België broedende Sylvia – soorten, is de Zwartkop het meest gebonden aan een vegetatie van hoge struiken of zelfs bomen. Hij neemt een uitgebreid gamma van biotopen in, gaande van hoogstammige loofbos tot grote struikmassieven. Hierdoor treft men de soort b.v. midden het Zoniënwoud aan, waar de bomen voldoende ver van elkaar staan om de ontwikkeling van bramen en een natuurlijke regeneratie mogelijk te maken. Men vindt ze eveneens in oude parken met afwisselend geïsoleerde bomen en struikmassieven. De aanwezigheid van enkele naaldbomen wordt steeds op prijs gesteld. Elders komt de Zwartkop voor langs bosranden, in massieven van duindoorn en vlier in de duinen en in dichte hagen met meidoorn, sleedoorn en enkele bomen(Eik, Haagbeuk, enz.). Rond de bomen en struiken komt meestal een dichte kruidenlaag voor met vaak veel brandnetels, m.a.w. een type biotoop dat in België veel voorkomt. De soort komt regelmatig voor in de stad, in parken en zelfs in kleine geïsoleerde tuinen binnen een dichte bebouwing.

Voorkomen: In Europa wijdverspreide en algemene zomergast, overwintert in het zuiden en westen. In België en Nederland zeer talrijke broedvogel – jaarvogel – wegtrekkend – doortrekker en wintergast in uiterst klein tot zeer klein aantal.

Broedtijd: mei – augustus, nest in de struiken, 3 – 6 eieren.

Kenmerken: Lengte 13,5 – 15 cm, spanwijdte 20 – 23 cm, gewicht 16 – 22 gram, leeftijd 11 jaar.

Voedsel: Insecten, bessen, in het voorjaar ook nectar en meeldraden.