Biotoop: De Grasmus komt voor in open milieus, voornamelijk in velden omgeven door hagen en dichte struiken met een weelderige kruidenlaag. Aanplantingen worden verlaten wanneer de hoogte meer dan twee meter bedraagt. In laag – en midden België komt de soort vrij algemeen voor langs kanalen, dijken, in duinen, in wilgen en bramen temidden van moerassen en soms zelfs in Zeggevelden. Op de plateaus van Henegouwen, Brabant en Haspengouw, alsook in Condroz, bezet ze vaak volkomen geïsoleerde struikmassieven. Hoewel struiken of dode bomen noodzakelijk zijn als zangpost kan de Grasmus zich nochtans tevreden stellen met afsluitingen of elektrische draden in de intensieve landbouwstreken. Sinds de recente afname werden vele marginale biotopen verlaten. In de Famenne vindt men de soort in dezelfde biotopen als de Braamsluiper.

Voorkomen: In Europa Wijdverspreide en algemene zomergast. In België en Nederland vrij talrijke broedvogel – wegtrekkend – doortrekker in vrij klein aantal.

Broedtijd: Mei – augustus, nest tussen vaste planten en struiken, 3 – 6 eieren.

Kenmerken: Lengte 13 – 15 cm, spanwijdte 18 – 23 cm, gewicht 12 – 19 gram, leeftijd 8 jaar.

Voedsel: Insecten en bessen.