Biotoop: De kolonies zijn gelegen in grote bomen op plaatsen met een goed uitzicht, vooral in parken en bosjes, maar nooit temidden in een bos. De meeste bezette boomsoort in België is de Es(49% van de gevallen), en dit waarschijnlijk omwille van zijn snelle groei en van de stevigheid van de éénjarige takken. De Roek bouwt zijn nest inderdaad bij voorkeur zeer dicht(op een of twee meter) bij de buitenste rand van de boomkruin. Eiken, Canadapopulier en Beuk samen vormen in 42% van de andere gevallen de standplaats voor het nest. Het is weinig belangrijk dat de bomen zich dicht bij woningen, bij drukken verkeerswegen of nabij andere centra van menselijke bedrijvigheid bevinden, als de vogels maar niet systematisch worden verjaagd. Het verdwijnen van weiden en het verschijnen van propere monoculturen heeft de Roek verjaagd uit de rijke landbouwgebieden van Midden – België waar de soort een grote variatie aan voedsel vond. Hij kan nog slechts goed stand houden in veeteeltgebieden waar in grote weiden(en gedeeltelijk ook in pas omgeploegde akkers) gans het jaar aardwormen en langpootmuggen te vinden zijn. In de akkers is er bovendien tijdens de zaai – en oogstperiode een overvloed aan zaden. Hier en daar treft men kolonies aan die sterk gebonden zijn aan de aanwezigheid van storten.

Voorkomen: In Europa wijdverspreide, algemene standvogel. In België en Nederland talrijke broedvogel – jaarvogel – gedeeltelijk wegtrekken – doortrekker en wintergast in groot aantal.

Broedtijd: Maart – April, nest in kolonies in bomen, 3 – 6 eieren.

Kenmerken: Lengte 41 – 49 cm, spanwijdte 81 – 94 cm, gewicht 325 – 560 gram, leeftijd 20 jaar.

Voedsel: Kleine ongewervelde dieren, plantaardig materiaal als zaden.