Biotoop: De Wespendief verkiest open, vrij uitgestrekte bossen met veel kaalkappingen en open ruimten waar hij nesten van vliesvleugeligen kan vinden. Sparrenaanplantingen worden gemeden, maar de soort komt plaatselijk voor in dennenbossen met heide-ondergroei.

Voorkomen: In Europa algemene zomergast, overwintert in tropisch Africa. In BelgiĆ« en Nederland schaarse broedvogel – wegtrekkend – doortrekker in klein aantal.

Broedtijd: Mei – augustus, nest in bomen – de horst wordt bij voorkeur op een kraaiennest van vorige jaren gebouwd en ligt meestal zeer hoog. Bouwen de vogels het nest zelf, dan kiezen ze als standplaats vaak een vork van een zijtak. De horst wordt verscheidene jaren achtereen gebruikt en reeds voor het leggen van de eieren regelmatig met verse, groene takken bekleed. 2 – 3 eieren.

Kenmerken: Lengte 52 – 59 cm, spanwijdte 113 – 135 cm, gewicht 400 – 1050 gram, leeftijd 17 jaar.

Voedsel: De Wespendief is een zeer gespecialiseerde insecteneter, die zich ’s zomers hoofdzakelijk met wespebroed voedt. Hij ontdekt de ingang van een ondergronds wespennest vanaf een uitkijkpost en graaft dit dan uit. Hierbij verdwijnt hij soms bijna geheel onder de grond. Zijn klauwen zijn niet zo sterk gebogen als die van de meeste andere roofvogels en dus geschikt om mee te graven. De wespen kunnen tegen de rover weinig uitrichten, want zijn gezicht wordt beschermt door speciale, harde veertjes. Hij waagt zich zelfs aan de nesten van de grote hoornaar, meestal eet hij alleen het broed, de larven, maar soms ook de volwassen insecten inclusief de angel. Behalve wespen vangt de Wespendief ook andere insecten zoals sprinkhanen en rupsen, die hij met de snavel pakt. Tijdens het voedsel zoeken stapt hij vaak op kraaiachtige wijze op de grond rond. In het aan wespen arme seizoen voedt hij zich ook met kikkers, slangen, jonge vogels en muizen.