Buizerd
Biotoop: Hoewel hij voornamelijk in een open omgeving jaagt(weiden, velden, heiden, brandlanen, enz.), is de Buizerd toch aangewezen op de aanwezigheid van grote bomen(bosjes, bossen, wouden) waarin hij broedt en rust. Er is een vrij goede overeenkomst tussen zijn voorkomen en dat van nogal beboste streken waar ook aan veeteelt wordt gedaan. De aard van bos(loof – of naaldhout) heeft ongetwijfeld slechts weinig belang.
Voorkomen: Talrijkste en wijdverspreide middelgrote roofvogel in Europa, wel afnemend in aantal in het noordelijk verspreidingsgebied. In België en Nederland vrij talrijke broedvogel – jaarvogel – doortrekker en wintergast in vrij groot aantal.
Broedtijd: Maart – augustus, nest in de bomen, meestal wordt de zelfgebouwde horst van het vorige jaar weer betrokken en opgeknapt of verhoogd, 2 – 3 eieren.
Kenmerken: Lengte 48 – 56 cm, spanwijdte 113 – 130 cm, gewicht 900 – 1250 gram, leeftijd ouder dan 28 jaar.
Voedsel: De zwakke voeten en korte klauwen geven aan dat de Buizerd een jager is op klein gedierte, tot ongeveer de grote van een eekhoorn. Het hoofdvoesel bestaat uit muizen en dit wordt aangevuld met hagedissen, slangen, jonge vogels en zelfs insecten. De buizerd heeft een groot aanpassingsvermogen en jaagt altijd op prooidieren die hij het eenvoudigst kan bemachtigen. Wanneer in strenge winters watervogels in moeilijkheden komen, grijpt de buizerd ook een dodelijk vermoeide meerkoet. Verder voeden ze zich met gestorven wild, waar ten onrechte wordt beweerd dat ze zich aan hazen vergrijpen. In goede muizenjaren leggen ze meer eieren dan in slechte.