Biotoop: Combinatie van riet en moerasbos langs de grote rivieren en laagveenmoerassen, bij voorkeur in bomen met lange afhangende twijgen, zoals berken en wilgen.

Voorkomen: In Europa standvogel van oevers met een verspreid voorkomen, oostelijke vogels zijn zomergasten. In BelgiĆ« en Nederland uiterst schaarse tot zeer schaarse broedvogel – wegtrekkend – wintergast in uiterst klein aantal.

Broedtijd: April – juli, buidelnest in bomen, 6 – 8 eieren.

Kenmerken: Lengte 10 – 11,5 cm, spanwijdte 16 – 18 cm, gewicht 8 – 11,5 gram, leeftijd: 6 jaar.

Voedsel: Kleine insecten en spinnen, pollen, zaden, kleine knoppen en vruchten.