Biotoop: Het typische biotoop bestaat uit een associatie van open ruimten met hoge kruidachtige vegetatie en enkele alleenstaande bomen van verschillende hoogten. Bomen, zelfs al zijn ze niet te hoog, zijn essentieel als zangpost of uitkijk. Oppervlakte met lage begroeiing en met naakte bodem zijn geschikt als foerageer – en nestplaats. De soort houdt van een gevarieerde omgeving:
Zij is het talrijkst waar veldbosjes, bossen en heiden afwisselend voorkomen. Men vindt hem aan de randen, op open plekken en kaalkappingen(zelfs al zijn ze eerder klein) in alle bostypen, maar ook in onbebouwde stukken, terreinen met verspreide houtopslag, jonge aanplantingen, kleine bosjes en bomenrijen, met hagen omringde weiden, heiden, venen, soms in parken en boomgaarden in de nabijheid van velden, weiden en braakliggende terreinen, en op taluds met kruidachtige begroeiing mits er enkele grote struiken op voorkomen.

Voorkomen: In Europa zomergast in open bossen, In BelgiĆ« en Nederland talrijke broedvogel – wegtrekkend – doortrekker in groot aantal.

Broedtijd: April – augustus, nest op de grond, 3 – 6 eieren.

Kenmerken: Lengte 15 cm, spanwijdte 26 cm, gewicht 18-29 gram, leeftijd 8 jaar

Voedsel: Kleine diertjes.