Biotoop: Dankzij hun groot aanpassingsvermogen, zowel inzake voedselkeuze als schuilplaatsen, komen Vossen zowat in alle mogelijke biotooptypes voor, zoals bossen en bosrijke landschappen, heiden en duinen, moerassen en venen, polders en landbouwlandschappen, parken en zelfs in steden.

Voorkomen: De vos komt over geheel Europa voor, met uitzondering van IJsland, Kreta en kleine eilanden in de Middellandse Zee.

Paartijd: Het hoogtepunt van de ranstijd valt in januari. Vossen hebben binnen hun territorium meerder vaste verblijfplaatsen. Over het jaar heen bevinden deze zich in principe bovengronds, meestal in dichte vegetatie. Behalve voor het werpen van de jongen, wordt slechts bij verstoring(klopjacht…), extreme weersomstandigheden gebruik gemaakt van ondergrondse schuilplaatsen. Meestal 4 tot 5 jongen.

Kenmerken: Kop – romplengte ca. 80 cm, staartlengte 50 cm, gewicht 5,7 – 6,8 kg, leeftijd gemiddeld 10 jaar.

Voedsel: Vossen zijn uitgesproken voedselopportunisten, die niet alleen vlot van prooisoort en jachttechniek kunnen overschakelen naargelang de omstandigheden inzake prooiaanbod wijzigen, maar tevens dierlijke voor plantaardige kost kunnen ruilen. Ook aas en afval wordt regelmatig gegeten. Het hoofdaandeel van voedsel bestaat doorgaans uit kleine zoogdieren, zoals knaagdieren en wilde konijnen. Het aandeel vogels kan aanzienlijk zijn, waarbij het vooral gaat om grondlevende soorten, zoals eendvogels, hoenderachtige of jonge dieren. Ongewervelde worden soms massaal gegeten, zoals regenwormen, sprinkhanen en mestkevers.