Biotoop: Natte weilanden, moerassen en vochtige bossen.

Voorkomen: De soort is wijdverspreid in Europa, van het Iberisch schiereiland tot Oost-Azië en in het noorden tot Zuid-Finland. In Nederland en België is de nachtvlinder zeer algemeen.

Vliegtijd: één of twee generaties, half juni – eind september.

Kenmerken: Spanwijdte 32 – 40 mm

Levensloop: Waardplanten zijn (korst)mossen en algen op diverse bomen en struiken. De rupsen voeden zich met korstmossen en algen die op bomen groeien. De soort overwintert als rups en verpopt in een spinsel van (korst)mos. De vlinders komen zowel af op licht als op smeer en drinken nectar van onder andere Koninginnenkruid (Eupatorium cannabinum).