Biotoop: Allerlei grazige plaatsen en moerasachtige gebieden.

Voorkomen: Het verspreidingsgebied strekt zich uit over Noordwest-Afrika, Zuid- en Midden-Europa, tot in Centraal-Azië (Altaj). Het is een trekvlinder die als zwerver wordt waargenomen in Zuid-Engeland, Denemarken en Zuid-Scandinavië. Een nachtvlinder die algemeen voorkomt in België en Nederland.

Vliegtijd: Half April tot begin November, soms in drie generaties.

Kenmerken: Spanwijdte 36 – 44 mm.

Levensloop: Waardplanten zijn van de Grassenfamilie (Poaceae), zoals kropaar (Dactylis glomerata) en Kweek (Elymus repens). De soort overwintert als rups en foerageert vooral ’s nachts. De rups verpopt zich in een cocon, vaak in de grond of onder het puin. De vlinders komen op licht en smeer af.