Biotoop: Vooral ruigere graslanden en ruigten met structuren in het landschap zoals houtwallen, hagen, bermen of slootkanten; ook landbouwgebieden, stedelijk groen en braakliggende terreinen.

Voorkomen: In Europa algemeen en wijdverbreid. In België en Nederland een zeer veel voorkomende en algemene vlinder.

Vliegtijd: Eén generatie. Begin juni-eind augustus.

Kenmerken: Spanwijdte 40 – 48 mm.

Levensloop: Waardplanten zijn van de grassenfamilie Poaceae, zoals Bergdravik (Bromus erectus), Genaald schapengras (Festuca ovina), Veldbeemdgras (Poa pratensis), Gestreepte witbol (Holcus lanatus). Het vrouwtje kleeft de eitjes één voor één op groene of verdorde grasstengels vlak bij de grond. De soort overwintert als halfvolgroeide rups. De verpopping vindt meestal vlak bij de grond plaats aan een verdorde grasstengel. Volwassen vlinders voeden zich met nectar uit diverse bloemen, maar ook honingdauw en het sap van rottend fruit en bloedende bomen. Ze hebben deze nectar nodig als energiebron en voor de vrouwtjes om eitjes te kunnen aanmaken.