Biotoop: Dichte ondergroei van ondergelopen broekbossen met diepere plassen, verlandingszones en rietvelden, tussen water en land. Waterrallen zijn meestal trekvogels die in september wegtrekken en vanaf maart weer in onze streken te vinden zijn. Als het stilstaande water dichtvriest, verzamelen ze zich bij beken en bronnen onder dicht struikgewas. Sommige pikken zelfs op boerderijerven een graantje mee.

Voorkomen: Wijdverspreide watervogel die als standvogel in geheel West – Europa voorkomt, zomergast in het oosten. In BelgiĆ« en Nederland vrij schaarse broedvogel – jaarvogel – wegtrekkend – doortrekker en wintergast in vrij klein aantal.

Broedtijd: April – augustus, nest in riet of oevervegetatie, het ligt goed verstopt, omringt door water en meestal in een pol zegge, 6 – 11 eieren.

Kenmerken: Lengte 23 – 26 cm, spanwijdte 38 – 45 cm, gewicht 74 – 190 gram, leeftijd 7 jaar.

Voedsel: Tijdens hun voedseltochten doorkruisen de Waterrallen hun territoria altijd via de dezelfde paden, die meestal langs sloten lopen en gemakkelijk aan de uitwerpselen en het platgetrapte gras te herkennen. Ze verschalken vooral waterinsekten, maar doden ook grote kikkers met welgemikte snavelhouwen en eten deze dan slechts gedeeltelijk op. Op reigermanier vangen ze kleine visjes en grijpen ze zelfs jonge vogeltjes. Met modder bevuilde prooi nemen ze mee naar het water om deze te wassen. Ze boren in de modder naar wormen en slakken. ’s Winters vormen zaden, bessen en bladeren een belangrijk deel van het menu.