Biotoop: Heggen en struikgewas die iets hoger zijn dan die waarin de grasmus gewoonlijk voorkomt. Ook boomgaarden, parken en jonge aanplant.

Voorkomen: Wijdverspreide zomergast in Europa. Ontbreekt in het zuidwesten, trekt zuidoostelijk weg. In België en Nederland vrij talrijke broedvogel – wegtrekkend – doortrekker in vrij klein aantal.

Broedtijd: Mei – augustus. Het nest wordt door beide partners met strohalmen gebouwd en de binnenkant met zeer fijne worteltjes gevoerd. Gewoonlijk ligt het enkel tot kniehoog, soms ook meer dan manshoog in de dichte wirwar van takken. Vaak broeden ze in een jeneverbes of een jonge fijnspar. 3 – 6 eieren.

Kenmerken: Lengte 11,5 – 13,5 cm, spanwijdte 17 – 19 cm, gewicht 10 – 14 gram. Leeftijd 7 jaar.

Voedsel: Insecten en spinnen. In de herfst bessen.