Biotoop: Voornamelijk kusten, maar ook in het binnenland op graslanden en akkers. Buiten de broedtijd in troepen.

Voorkomen: In Europa wijdverspreide kustvogel, standvogel in het noorden en het westen. Vormt in de winter grote groepen. In BelgiĆ« en Nederland talrijke broedvogel – jaarvogel – doortrekker en wintergast in groot aantal.

Broedtijd: April – juli, grondnest – het nest ligt op een zandbank boven de hoogwaterlijn, in grasland, op akkers enz. Meestal is het nest niet meer dan een uitgekrabd kuiltje, zij het soms niet onverdienstelijk versierd met schelpen of verwelkte blaadjes. Scholeksters zijn geen koloniebroeders. Beide ouders lossen elkaar af bij het broeden, 3 eieren.

Kenmerken: Lengte 39 – 44 cm, spanwijdte 72 – 86 cm, gewicht 425 – 480 gram, leeftijd gemiddeld 12 jaar maar er zijn wel al exemplaren bij die ouder dan 43 jaar geworden zijn.

Voedsel: De Scholekster eet klein gedierte dat aan het strand en in de bodem van het grasland leeft. Bij op een kiertje geopende schelpdieren pikken ze met de smalle, scherpe snavel de sluitspier kapot, voordat deze dicht kunnen klappen. Het gebeurt wel eens dat het schelpdier sneller is en de snavel vastklemt. De vogel sleept dan het schelpdier net zo lang mee, totdat het het van vermoeidheid weer open gaat.