Biotoop: Delta’s, moerassen, meren en waterbekkens. Overwintert  op weilanden in laagland, laagveenweiden en wintergraanakkers.

Voorkomen: De Kolgans is de talrijkste gans van Eurazië. Hij broedt ten noorden van de woudgrens in de toendra tot de kust van de Noordelijke IJszee. In het noorden overlapt zijn broedgebied dat van de Rotgans en in het zuiden sluit het aan bij dat van de Grauwe Gans. Kolganzen zijn trekvogels, die ver ten zuiden van hun broedgebied overwinteren. Bijvoorbeeld aan de Kaspische Zee, de Zwarte Zee en in de Donauvlakte, maar vooral rond de Noordzee. In België en Nederland schaarse broedvogel – jaarvogel – wintergast in groot aantal.

Broedtijd: Mei – augustus, grondnest ligt in de moerassige toendra op een hogere, droge plaats. Meestal bekleed het wijfje een reeds bestaande holte met donsveren, beide ouders brengen de jongen groot, de ouders vormen een paar voor het leven, 4 – 7 eieren.

Kenmerken: Lengte 64 – 78 cm, spanwijdte 130 – 160 cm, gewicht 2300 – 3100 gram, leeftijd 20 jaar.

Voedsel: Kolganzen eten voornamelijk gras en andere zachte, groene plantendelen. In de winter eten ze ook restgewassen, zoals aardappelen, granen en suikerbieten die ze op akkers vinden. Daarnaast eten ze wortels, zaden en soms jonge scheuten.