Biotoop: Bossen met hoge loof – en naaldbomen, zoals oude gemengde beukenbossen, maar ook, parken en lanen met oude bomen, hoogstammige boomgaarden enz.

Voorkomen: In Europa wijdverspreide, vaak algemene, standvogel in bossen. Hij is de ‘standaard’ bonte specht. In BelgiĆ« en Nederland Talrijke broedvogel – jaarvogel – wintergast in groot tot zeer groot aantal.

Broedtijd: April – augustus, holtebroeder – meestal vervaardigen de spechten in wekenlange arbeid voor elk broedsel een nieuwe nestholte in een stam met kernrot, het nest ligt op uiteenlopende hoogte maar gewoonlijk op 2 – 5 m, het ronde vlieggat heeft een doorsnede van 45 – 55 mm, de spechten slapen ook later in een hol, voor zover dit niet door Spreeuwen, mezen, draaihalzen enz. als kinderkamer is ingericht, 4 tot 7 eieren.

Kenmerken: Lengte 23 – 26 cm, spanwijdte 38 – 44 cm, gewicht 70 – 100 gram, leeftijd 13 jaar.

Voedsel: De Grote Bonte Specht is een typische klim – en hakspecht. Hij zoekt kevers onder de schors van bomen en ontschorst hiervoor hele stammen, hij haalt insectenlarven met zijn wormvormige, aan de uiteinde hoornachtige en van weerhaakjes voorzien tong uit hun boorgaten. Maar rooft ook jonge zangvogels uit houten nestkastjes, die hij daartoe open hakt. In de winter voedt hij zich hoofdzakelijk met Denne – en sparrezaden, waarvoor hij de kegel van een tak breekt en in een kier in de stam vastzet. Vervolgens hakt hij de schubben van de kegel af en peutert de zaden eruit.