Biotoop: De Slechtvalk slaat zijn prooi in de lucht en is dan ook nauwelijks aan een speciaal biotoop verbonden. Hij komt in alle werelddelen voor, maar mijdt uitgestrekte bosgebieden en structuurloze vlakten. Hij prefereert gebieden met een rijk vogelleven, zoals rivierdalen in de steppen en de nabijheid van vogelkolonies. Ook broedt hij hoog in kerktorens in steden met veel verwilderde duiven.

Voorkomen: Schaarse maar toenemende standvogel of zomer – of wintergast in geheel Europa. In België en Nederland zeer schaarse broedvogel – jaarvogel – doortrekker en wintergast in zeer klein tot klein aantal.

Broedtijd: Maart – juli, geen eigen nest, vaak in kunstnesten, éénmaal in zijn broedbiotoop blijft hij zijn ganse leven trouw aan deze, waarbinnen hij echter diverse  broedplaatsen kan gebruiken. Deze liggen meestal in rotswanden, maar in rotsloze streken kunnen ook de horsten van van andere roofvogels en kerktorens worden betrokken, 3 – 4 eieren.

Kenmerken: Lengte 38 – 45 cm, spanwijdte 89 – 100 cm, gewicht 550 – 1300 gram, leeftijd 17 jaar.

Voedsel: Hij is gespecialiseerd in de vangst van vliegende vogels. Op grote hoogte cirkelt hij rond. Verschijnt er een vogel van passend formaat in het vrije luchtruim, dan rept hij met krachtige vleugelslagen naar beneden waarbij hij een snelheid van maximaal 280 km per uur kan bereiken. Hij haalt de vliegende vogel als het ware spelenderwijs in, maar vermijdt een botsing. Meestal verwondt hij zijn slachtoffer bij het inhalen met zijn klauwen, zodat een wolk veren ronddwarrelt. Wanneer de gewonde prooi dan ter aarde stort, landt de valk naast hem en bijt hem dan dood. Zijn hoofdprooi wordt bepaald door het aanbod. Zoals Meeuwen, kraaiachtigen, kievieten, koekoeken, duiven en spreeuwen. De Slechtvalk vangt in feite alle middelgrote vogels die zich hoog in de lucht wagen.