Biotoop: Visarenden stellen slechts twee eisen aan hun biotoop: helder, visrijk water en geen vervolging door de mens. Ze jagen boven rivieren, meren en langs de kust. Het zijn trekvogels, die in de tropen overwinteren. De Europese dieren trekken vooral naar West – Afrika. Onderweg wordt een groot deel van hen door zuid – Europese jagers geschoten(was zeker vroeger het geval maar hoe de huidige situatie is, is voor mij onbekend).

Voorkomen: Schaarse maar wijdverspreide trekvogel in geheel Europa die vooral in Schotland, Scandinavië, het zuiden van de Baltische landen en de Oekraïne zomergast is. In België en Nederland uiterst schaarse broedvogel – doortrekker in uiterst klein aantal – wintergast in uiterst klein aantal.

Broedtijd: April – augustus, nest in bomen – de horst wordt niet door andere grote roofvogels overgenomen, hij wordt opgeknapt en jaarlijks verder uitgebreid. Meestal ligt het op de hoogste bomen en altijd met een vrij uitzicht op de visgronden. In de tropen broedt de visarend ook op rotsklippen of gewoon op de grond, niet zelden in los kolonieverband. Zolang de vogels zich in het broedgebied ophouden, roesten ze op hun takkenburcht. Beide ouders broeden, maar vooral het wijfje dat door het mannetje op de horst wordt gevoed, 3 eieren.

Kenmerken: Lengte 52 – 60 cm, spanwijdte 145 – 170 cm, gewicht 1120 – 2100 gram, leeftijd 32 jaar.

Voedsel: Visarenden zijn zeer gespecialiseerde visjagers. Daarnaast heeft men als prooidier o.a. ook kleine zoogdieren., schildpadden, eenden, zeeslangen, kikkers, kreeften en waterslakken kunnen vaststellen. Slakkenhuizen worden op een rotsblok verbrijzeld. Tijdens de jacht vliegt de arend gewoonlijk ongeveer 50 m boven het water heen en weer. Heeft hij een prooi ontdekt, dan bidt hij eerst en laat zich vervolgens met half gesloten vleugels vallen, waarin hij de richting met kleine bewegingen corrigeert. Tenslotte strekt hij zijn poten naar voor en duikt in het water, waarbij hij in een fontein van druppels verdwijnt. Seconden later duikt hij weer op, wacht met uitgestrekte vleugels op het water tot dat de vis is uitgesparteld en stijgt dan met zware vleugelslagen uit het water op. Hij kan vissen tot een gewicht van 2 kg vangen, hoewel hij zelf hooguit maximum 2 kg weegt. Soms pakt hij echter ook vissen die te groot en te sterk voor hem zijn, waarbij hij die na enkele vergeefse pogingen, uitgeput weer los moet laten.