Biotoop: Divers, komt ook op veel plaatsen voor waar de waardplant niet groeit.

Voorkomen: Door heel Europa, inclusief op alle grote en kleinere mediterrane eilanden als trek – of standvlinder. In het noordelijk deel van het verspreidingsgebied; o.a. Ierland, Groot – Britannië, België, Nederland en grote delen van Fennoscandinavië als trekvlinder.

Vliegtijd: Eén tot drie generaties. Juni tot oktober.

Kenmerken: Spanwijdte 45 – 60 mm.

Levensloop: In Midden – Europa vrijwel uitsluitend op grote brandnetel (Urtica dioica), maar ook op andere brandnetelsoorten. In het zuiden van Europa wel op glaskruidsoorten (Parietaria sp.) die ook tot de brandnetelfamilie behoren. De vrouwtjes leggen de eitjes één voor één op de brandnetel in de schaduw of halfschaduw. Door de toppen van het blad naar elkaar toe te vouwen met spinseldraden bouwt de rups een schuilplaats. Meestal wordt de bladstengel half opgegeten zodat het blad naar beneden hangt. De rups verpopt aan stengels van de waardplant. De meeste van de herfstvlinders trekken in september weer naar het zuiden. Volwassen vlinders voeden zich met nectar uit diverse bloemen, op rottend fruit en vocht van bloedende bomen.