Biotoop: De Watersnip is zoals in gans West  -Europa aangewezen op laagvenen, verlandingszones van allerlei aard, zegge – en bietenweiden, vochtige meersen, drassige heide, open en vochtige broekbossen, enz. De grootse dichtheid haalt hij in carex – gemeenschappen.

Voorkomen: Wijdverspreide zomergast in Noord – en Oost – Europa, elders wintergast, hoewel loyaal. In België en Nederland Schaarse tot vrij schaarse broedvogel – jaarvogel – wegtrekkend – doortrekker en wintergast in vrij klein tot vrij groot aantal.

Broedtijd: April – juli, Watersnippen vormen elk jaar nieuwe broedparen. Bij een overschot aan wijfjes nemen de polygame mannetjes twee wijfjes en verdedigen dan ook twee territoria. Van April tot juni vertonen ze boven het broedgebied hun spectaculaire baltsvlucht. Ze doen dit vooral in de ochtend –  en avondschemering en op betrokken dagen. Eerst klimmen ze spiraalbewijs zo hoog in de lucht dat alleen het scherpe oog ze nog kan volgen. Vervolgens storten ze zich bijna loodrecht in de diepte en trekken daarna  weer even snel omhoog. Bij het naar beneden storten klinkt 1 tot 2 seconden een merkwaardige toon, die aan het mekkeren van een geit doet denken. Dit ontstaat door het fladderen van de uitgespreide staartveren in de luchtstroming. Om de 20 – 30 seconden herhaalt de vogel de duikvlucht en het geluid van zijn staartveren, soms wel een halfuur of langer achtereen. Als extra kan hij ook een acrobatische vlucht met hele en halve rollen vertonen en reeksen geluiden ten gehore brengen zoals ’tuka… tuka…’ klinken.

Kenmerken: Lengte 23 – 28 cm, spanwijdte 39 – 47 cm, gewicht 80 – 140 gram, leeftijd 18 jaar.

Voedsel: Watersnippen boren met snelle stoten in de modder en vinden met navelpunt op de tast op max 6 cm diepte het voedsel. Vervolgens openen ze de snavelpunt en grijpen de worm. Ze kunnen eten zonder de snavel uit de bodem trekken. ze vangen vingerlange wormen, bloedzuigers, slakken en insecten. Ook eten ze plantendelen, zoals wortels, stengels en zaden.