Biotoop: Matige vochtige hooilanden, met bramen -, frambozen – of brandnetelbosjes, dichtgegroeide open plekken in het bos, vochtige heidevegetaties, grienden en vochtige duinvalleien, nu en dan ook in koren -, koolzaad – of klavervelden. Hij leeft tussen het gras in gezelschap van muizen en vliegt niet weg als iemand nadert, maar kruipt nog dieper tussen de bodembegroeiing.

Voorkomen: In Europa lokale zomergast, meestal te vinden door zang. In BelgiĆ« en Nederland vrij talrijke broedvogel – wegtrekkend – doortrekker in vrij klein aantal.

Broedtijd: Mei – juli, nest op de grond – Het nest bevindt zich in de buurt van de belangrijkste zangpost op een ondergrond van verwelkte bladeren. Het is uit plantenstengels vervaardigd, heeft de grote van een vuist en is komvormig. Niet zelden leidt er een duidelijk herkenbaar paadje van omgeknapte grasstengels naar toe. Beide ouders bouwen het nest en bij het broeden lossen ze ook elkaar af, 5 to 6 eieren.

kenmerken: Lengte 12,5 – 13,5 cm, spanwijdte 18 – 21 cm, gewicht 10 – 20 gram, leeftijd 4 jaar.

Voedsel: Insecten, larven, enz.