Biotoop: Het Koevinkje komt voor in relatief vochtige en beschaduwde graslanden met een vrij hoge en ruige vegetatie, doorgaans in de buurt van een bos.

Voorkomen: Van Spanje tot grote delen van Europa, waaronder Ierland, England, Wales en Zuid – Schotland, tot 65° Noorderbreedte in Fennoscandinavië, Balkan en Noord – Griekenland. In België en Nederland vrij algemeen.

Vliegtijd: Van begin juni tot midden augustus, één generatie.

Kenmerken: Spanwijdte 40 – 48 mm.

Levensloop: Waardplanten van de Grassenfamilie Poaceae, zoals Bergdravik (Bromus erectus), Veldbeemdgras (Poa pratensis), Pijpenstrootje (Molinia caerulea), enz. Het vrouwtje laat de eieren één voor één op de grond vallen. De overwintering vindt plaats als halfvolgroeide rups, de verpopping vindt op de grond plaats tussen enkele samengespannen bladeren. De vlinder voedt zich voornamelijk met nectar uit diverse bloemen.