Biotoop: De soort komt vooral voor in laag dicht struikgewas dat een relatief open bodem bedekt. De aard van het houtig gewas is van weinig belang, maar een zekere diversiteit lijkt de voorkeur te genieten. De beperkte eisen die gesteld worden zijn van die aard dat men de soort aantreft in de meeste biotopen die struiken of jonge boompjes, zowel naald – als loofhout, bevatten. In de stad stelt ze zich tevreden met kleine groene zones, en soms zelfs met enkele struiken temidden van een volkomen bebouwde omgeving.

Voorkomen: In Europa wijdverspreid en talrijk. In BelgiĆ« en Nederland zeer talrijke broedvogel – jaarvogel – doortrekker en wintergast in zeer groot aantal.

Broedtijd: April – juli, nest in struiken, 4 – 6 eieren.

Kenmerken: Lengte 15 cm, spanwijdte 20 cm, gewicht 15 – 27 gram, leeftijd 11 jaar.

Voedsel: Kleine diertjes, zaden en bessen.