6 - Brandstof voor de vogelmotor
Om een vogellichaam goed te laten functioneren is er veel voedsel nodig. Dat voedsel levert energie op voor activiteiten van de vogel en houdt de lichaamstemperatuur op peil, waarbij deze enkele graden hoger is dan bij de mens. Voor het vormen van eieren, het voeden van jongen en het aanleggen van een vetlaag voor de trek is extra voedsel noodzakelijk. Het menu is veelzijdig. Zoals je weet zijn er veel verschillende vogelsoorten en wordt er vrijwel alles gegeten. Er zijn typische planten – en vleeseters. Maar er zijn ook vogels die alles eten. De meeste vogelsoorten leven van dierlijk voedsel, waarbij de veelzijdigheid aan insecten wordt benut. Daarnaast zijn veel vogels afhankelijk van vis. Er zijn maar weinig vogelsoorten die gebruik maken van de voedselbron planten. De Ganzen zijn echte planteneters. Vruchten en zaden spelen zeker een belangrijke rol op het vogelmenu. Dat komt omdat deze rijk zijn aan suikers en vetten. Deze vruchten zijn gemakkelijk te verteren en zijn een geweldige bron aan energie. Vogels beschikken over een sterk gespecialiseerd spijsverteringskanaal met daarin slechts enkele enzymen. Omdat de vertering van elk ander type voedsel weer andere enzymen nodig zijn, kunnen de meeste vogels geen ander voedsel verteren dan dat waar ze aangewend zijn. Daarbij komt ook dat de uitwendige bouw, “zoals de snavel” is aangepast aan het eten van een bepaald type voedsel. Het voedsel van de jongen kan sterk afwijken van dat van de ouders. De zaadeters voeden hun jongen hoofdzakelijk met insecten. De eerste levensdagen worden uitsluitend zachte insecten gevoed. Dat is gemakkelijk te verteren en bovendien haal je uit het dierlijk voedsel tien keer meer energie als uit hetzelfde gewicht aan plantaardig materiaal. Over het algemeen wordt de behoefte aan energie per gram lichaamsgewicht groter als het lichaamsgewicht lager wordt. Daarom hebben kleinere vogels relatief meer voedsel nodig. Op koudere dagen is er bijvoorbeeld meer voedsel (energie) nodig om een daling van de lichaamstemperatuur te voorkomen. Bij trekvogels wordt er extra gegeten om een reserve voorraad aan te kunnen leggen voor het overbruggen van lange afstanden. Soms neemt de vetopslag extreme vormen aan. Bij kleinere vogels kan vlak voor het begin van de trek de vetreserve ongeveer vijftig procent van het totale lichaamsgewicht uitmaken. Men heeft uitgerekend dat een vogel van vier gram met veertig procent vetreserve zo’n éénentwintig uur in de lucht kan blijven zonder te eten. Een vogel van veertig gram met veertig procent vetreserve kan ongeveer zevendertig uur blijven vliegen. Als we een gemiddelde snelheid aanhouden van vijftig kilometer per uur dan kan de vogel met zo’n energievoorraad negentienhonderd kilometers afleggen. Bij vijventwintig procent zou dit duizend kilometers zijn en bij een vetreserve van vijftig procent zou dit ongeveer drieduizend kilometers zijn geweest. Bij Steltlopers heeft men afstanden gemeten van duizendvijfhonderd tot tweeduizendvijfhonderd kilometers zonder dat er onderweg wordt gestopt om te foerageren.
In de winter neemt de behoefte aan voedsel toe omdat er vooral extra energie nodig is om het lichaam op temperatuur te kunnen houden. Grauwe ganzen leven van planten en per dag eten ze ruim vijventwintig procent van hun lichaamsgewicht. Om deze hoeveelheid binnen te krijgen, eten en verteren ze de hele dag door en ontlasten ze om de twee à drie minuten. Houtduiven die in de winter op akkers foerageren, eten ongeveer vijvenveertig gram drooggewicht per dag, wat overéénkomt met ongeveer vijvendertigduizend pikbewegingen. ’s Avonds blijkt zich in de krop gemiddeld vijftig gram voedsel te bevinden en zo kan de lange winternacht worden overleefd dankzij dit opgeslagen voedsel. Ook vleeseters doen in de winter extra hun best. Zo eten Zwarte mezen gemiddeld elke vierentwintig uur twee gram aan drooggewicht. Dat komt neer op een insect van gemiddelde grootte per tweeënhalve seconden. Ook kleine Goudhaantjes zijn de hele dag in de weer om voedsel te vinden. Het vogeltje weegt ongeveer vijf gram en heeft zo’n twee gram voedsel nodig. De larfjes en insecten zijn zo licht dat het een dagtaak is om ze te verzamelen. Deze kleine vogeltjes gaan vaak al dood als ze enkele uren een leeg darmkanaal hebben. De vetreserves zijn snel uitgeput.
De behoefte aan water is recht evenredig met het lichaamsgewicht. Hoe zwaarder de vogel hoe meer water er nodig is. Sommige soorten drinken nooit. Ze hebben genoeg aan het vocht dat in het voedsel zit. Grotere vogels hebben regelmatig vocht nodig. Dat drinken gaat heel éénvoudig, je neemt water in je snavel, doet de kop omhoog en doorslikken maar. Duiven kunnen drinken zonder zich op te richten. Ze zuigen het water omhoog. Zwaluwen drinken al vliegend door met hun open bek over het water te scheren. Vogels kunnen uitdroging voorkomen door hun uitwerpselen in te dikken. Bovendien transpireren ze niet, wat resulteert aan minder vochtverlies. Het betekent wel dat ze bij warm weer hun lichaam niet door verdamping kunnen laten afkoelen. Dat is ook aan de vogels te zien op zeer warme dagen, dan zitten ze met open bek te hijgen en trachten zo de nodige afkoeling te vinden. Bij zeevogels doet zich een ander probleem voor. Het zoute drinkwater werkt als een vergif op het lichaam. Deze vogels hebben dan een speciale aanpassing die het mogelijk maakt om te veel opgenomen zouten uit te scheiden. Dit zout verdwijnt via een speciaal orgaantje op de snavel. Het verzamelt zich in een druppel en wordt van tijd tot tijd afgeschud.