Biotoop: De merel zoekt zijn voedsel voornamelijk op de grond tussen dode bladeren, in weilanden of op grasperken in de stad. Om een voldoende hoge dichtheid aan aardwormen(zijn belangrijkste voedsel) te waarborgen, moet de bovenste bodemlaag redelijk vochtig zijn. Tijdens droge zomers kan door uitdroging van de bodem voedselgebrek de ontwikkeling van nestjongen verhinderen. Het nest wordt meestel gebouwd in dicht struikgewas, maar soms ook op allerlei steunpunten zoals balken, vensterbanken, houtstapels, enz… dikwijls op grote hoogte. De Merel broedt in een uiteenlopend aantal biotopen: bossen, boomkwekerijen, dichte hagen, struikgewas, bosjes, begroeide duinen, parken, tuinen, moerasbossen, enz…

Voorkomen: Algemene, wijdverspreide standvogel of zomergast in geheel Europa.

Broedtijd: Maart – juli, nest in bomen of struiken, 4 – 5 eieren.

Kenmerken: Lengte 23,5 – 28 cm, spanwijdte 34 – 38 cm, gewicht 70 – 148 gram, leeftijd 15 jaar.

Voedsel: Regenwormen, slakjes, insecten, bessen.