Biotoop: Het goudhaantje  komt vooral voor in dichte coniferen met kleine naalden. Men vindt het dan ook vooral in Fijnspar en Douglassparren vanop het ogenblik dat ze voldoende hoog zijn om als zangpost te dienen. De grootste densiteiten in België en Nederland vinden we in homogene bestanden van deze naaldhoutsoorten. Het uiterst kleine formaat van de soort laat haar toe zich tevreden te stellen met kleine oppervlakten; zij komt dan ook voor in gemengde bestanden hetgeen vestigingen op geringere hoogte vergemakkelijkt. In het noorden van België vindt men haar in gemengde bossen met sparren, maar ook in aboretums, begraafplaatsen en parken met veel siersparren. Lorken en dennen schijnen daartegen minder verkozen te worden.

Voorkomen: Algemene standvogel en wintergast in Europa. In België en Nederland talrijke broedvogel – jaarvogel – doortrekker en wintergast in groot tot zeer groot aantal.

Broedtijd: Maart – augustus, nest in naaldbomen, 7 – 11 eieren.

Kenmerken: Lengte 8,5 – 9,5 cm, spanwijdte 13,5 – 15,5 cm, gewicht 4,8 – 8,4 gram, leeftijd 10 jaar.

Voedsel: Kleine insecten, spinnen.