Biotoop: Vochtige of droge plekken met struiken, vooral bij bossen. Open grazige en rotsachtige hellingen met hier en daar struiken.

Voorkomen: Wijdverbreid en algemeen, In Europa tot zuiden van Schotland en tot 64° noorderbreedte in Fennoscandinavië, Mediterrane eilanden, Corsica, Sicilië, Corfu. In België en Nederland algemene standvlinder.

Vliegtijd: Eén lange generatie, Eind juni-begin oktober en na de overwintering van begin februari-begin juni.

Kenmerken: Spanwijdte 50 – 55 mm.

Levensloop: Waardplanten zijn Sporkehout (Frangula alnus), Wegedoorn (Rhamnus cathartica). Het vrouwtje legt de eitjes één voor één of in kleine groepjes bij de bladknoppen van de waardplant. De rups verpopt op de takken van de waardplant. Overwintert als vlinder, vaak tussen de bladeren van wintergroene struiken of bomen. De vlinder zuigt nectar van bloemen, zoals Distels (Carduus) Vlinderstruik (Buddleja davidii), Koninginnenkruid (Eupatorium cannabinum), enz.