Biotoop: De Geelgors bezet een breed gamma van open, niet vochtige biotopen. Meestal omvatten ze hagen, struiken, bomenrijen, bosjes, of grenzen ze aan bosmassieven. In grote landbouwstreken past de Geelgors zich aan elke struik – of boombegroeiing aan, zelfs indien het slechts een relict betreft, en aldus blijft hij vaak aanwezig binnen een netwerk van uitgetrekte monoculturen. Onbebouwde of woeste gronden en spoorwegbermen worden ook vaak ingenomen, vooral als ze binnen bebouwde oppervlakten liggen. Mits er struiken aanwezig zijn, broedt de soort eveneens op heiden, in droge gedeelten van de Venen, op kalkgraslanden, terrils en in duinen. Plaatselijk kan ze soms hoge dichtheden bereiken, vooral op met struiken begroeide kalkgraslanden. Aan de rand van bosmassieven worden eveneens open plekken, kaalkappingen en jonge aanplantingen ingenomen. Grosso modo kan men stellen dat de verstedelijking nadelig is voor de Geelgors, want hij dringt slechts weinig binnen in agglomeraties en profiteert niet van verkavelingen. Tuinen en parken trekken hem nauwelijks aan. Zijn afwezigheid in de parken is te verklaren door het meestal ontbreken van inheemse struiken die niet overschaduwd zijn door bomen, en door de wijziging van de kruidenlaag tot grasperken met weinig zaden en insecten.

Voorkomen: In Europa Standvogel, maar alleen zomergast in Noord – ScandinaviĆ« en wintergast in het Middellandse Zeegebied. In BelgiĆ« en Nederland vrij talrijke tot talrijke broedvogel – jaarvogel – doortrekker en wintergast in groot aantal.

Kenmerken: Lengte 16 – 16,5 cm, spanwijdte 23 – 29,5 cm, gewicht 26 – 37 gram, leeftijd 13 jaar.

Voedsel: Zaden en kleine diertjes.