Biotoop: Grazige, rotsachtige erosiehellingen. Vaak op warme, droge plekken met struiken en met veel bloemen. Heischrale graslanden – en kalkgraslanden.

Voorkomen: Europa: Iberisch Schiereiland, Sardinië, Corsica, Sicilië, door Frankrijk(behalve NW en NO) tot in Denemarken (alleen in Seeland en Bornholm, Balkan, Griekenland, Uitgestorven in België. In Nederland extreem zeldzame vlinder als zwerver.

Vliegtijd: Mei – juni / juli – eind augustus (gewoonlijk twee generaties).

Kenmerken: Spanwijdte 24 – 28 mm.

Levensloop: De waardplanten van het Bretons spikkeldikkopje (Pyrgus armoricanus) behoren hoofdzakelijk tot de Rozenfamilie (Rosaceae). Hierbij gaat de voorkeur uit naar ganzeriksoorten, zoals het vijfvingerkruid, maar incidenteel worden ook dauwbraam en bosaardbei benut. Waar de meeste dikkopjes op grassen foerageren, is de rups van deze soort specifiek aangewezen op deze kruidachtige planten. De eieren worden op de bloemen van de waardplanten gelegd. Als jonge rups (tweede ontwikkelingsstadium) overwintert deze tussen dode bladeren op de bodem. De vlinders voeden zich met nectar van diverse bloemen.