Biotoop: Traditioneel vestigt de Rietgors zich in vochtige en moerassige biotopen mits het voorkomen van een dichte kruidenlaag en goed zichtbare zitposten die als zangpost gebruikt worden. Binnen de moerassen bezet hij bij voorkeur biezen – zeggen, mattenbies – en pijpenstrootjesvegetatie met enkele struiken(wilgen, elzen, gagel, enz) of de ijle riet – en lisdoddevelden. Zuiveren rietvelden schijnen slechts aan randen bezet te worden en dan nog enkel indien er struiken of een kruidenlaag aanwezig zijn. In feite komt de Rietgors dikwijls voor aan de rand van moerasvegetatie en droge biotopen(heide, weide). De soort broedt ook langsheen rivieren, draineerkanalen en vijvers.

Voorkomen: In Europa algemene en wijdverspreide standvogel en zomergast. In BelgiĆ« en Nederland talrijke tot zeer talrijke broedvogel – jaarvogel – gedeeltelijk wegtrekken – doortrekker en wintergast in vrij groot aantal.

Broedtijd: April – juli, nest iets boven de grond, 2 – 5 eieren.

Kenmerken: Lengte 14 cm, spanwijdte 23 – 25 cm, gewicht 16,5 – 22 gram, leeftijd 11 jaar.

Voedsel: Insecten en zaden.