Biotoop: Hij bewoont uitgestrekte, hoog opgeschoten rietvelden. Voor zijn voedsel verlaat hij niet zelden het riet en zoekt hij nabijgelegen struikgewas en broekbossen op. Het is een trekvogel, die in de winter in tropisch Afrika doorbrengt. Hij verschijnt meestal begin mei in het broedgebied en trekt bij ons vanaf augustus weg.

Voorkomen: Zijn verspreidingsgebied strekt zich van de naaldwoudgrens in het noorden tot aan de rand van de woestijnzone in het zuiden uit. In Midden – Europa loopt het bestand terug. Het is een trekvogel, die in de winter in tropisch Afrika doorbrengt. Hij verschijnt meestal begin mei in het broedgebied en trekt bij ons vanaf augustus weg. Bij ons is de populatie na de Tweede Wereldoorlog gedecimeerd. In België en Nederland zeer schaarse broedvogel – wegtrekkend.

Broedtijd: Mei – augustus. Nest in het riet. Alleen het wijfje bouwt, het mannetje sleept het nestmateriaal aan en dat vooral uit het water geviste, oude riethalmen bestaat. Het nest is een tot 25 cm diepe kom, die tussen de riethalmen hangt. De binnenzijde van de kom wordt gevoerd met vezeltjes, worteltjes en rietpluimen. Het nest ligt 60 – 120 cm boven de waterspiegel. 4 – 6 eieren.

Kenmerken: Lengte 16 – 20 cm, spanwijdte 25 – 30 cm, gewicht 29 – 39 gram, leeftijd 10 jaar.

Voedsel: Bij het zoeken naar voedsel hippen de Karekieten rusteloos en speuren van halm naar halm. Behalve gevleugelde insecten vangen ze vooral ook in het water levende insectenlarven.