Biotoop: De Grauwe klauwier is minder aan bomen gebonden dan de beide andere klauwieren en broedt vooral in doornige hagen die zich bij voorkeur niet te ver bevinden van water of van een bosrand. De afwisseling tussen struiken en open ruimten zijn voor de soort een uitverkoren jachtterrein. De kruidenlaag laat de vogel toe allerlei insecten te vinden en de aanwezigheid van doornige struiken geeft hen de mogelijkheid om de prooien op te spiesen en te stockeren. Dit voor alle klauwieren typisch gedrag komt weliswaar niet steeds voor, maar wordt dikwijls waargenomen bij de Grauwe klauwier. Het nest bevindt zich meestal laag in dicht kreupelhout of in een meidoornhaag, terwijl een hogere struik een ideale uitkijkpost vormt vanwaar de vogel rondspiedt naar prooien. Het zeldzaam worden en de verdelging van grote insecten weegt nog meer op dan het verdwijnen van gunstige biotopen, mede aan de oorzaak te liggen van de afname van de soort.

Voorkomen: Zomergast, wordt in grote delen van zijn verspreidingsgebied bedreigd. In BelgiĆ« en Nederland schaarse broedvogel – wegtrekkend.

Broedtijd: Mei – juli, nest in struiken, 4 – 7 eieren.

Kenmerken: Lengte 16 – 18 cm, spanwijdte 24 – 27 cm, gewicht 22 – 41 gram, leeftijd 8 jaar.

Voedsel: Insecten, kleine zoogdieren, soms hagedissen, en kleine vogels.