Biotoop: Droge, grazige, rotsachtige of stenige plaatsen, waaronder steile hellingen en puinhellingen (Viroinval, België).

Voorkomen: In Midden  – Europa plaatselijk vrij algemeen. Ontbreekt in Groot – Brittannië, Noordwest – Duitsland, Denemarken, Noord – Finland, Balearen, Corsica, Sardinië en Kreta. In België nog in het zuidoosten en in Nederland een zeer zeldzame zwerver.

Vliegtijd: Eén generatie in het noorden, midden juni tot eind augustus. Twee generaties in zuiden, eind april tot juni – juni tot eind september.

Kenmerken: Spanwijdte 37 – 50 mm.

Levensloop: Waardplanten is van de Grassenfamilie Poaceae, zoals Genaald schapengras (Festuca ovinasheep fescue), Gestreepte witbol (Holcus lanatus), enz. Het vrouwtje kleeft de eitjes meestal vast aan de verdorde grasstengels. De tweede generatie overwintert overwegend in het voorlaatste rupsstadium. De verpopping vindt bij voorkeur plaats onder de overhangende rotsen. De vlinder eet(zuigt) nectar, sap van bloemen en vruchten, en soms sap uit bloedende bomen, zoals braam (Rubus) en Rode klaver (Trifolium pratense).