Biotoop: De soort is een holtebewoner die meestal in kolonies leeft, hoewel geïsoleerde paren eveneens voorkomen in bossen en in schoorstenen van gebouwen. Ze bezet zowel natuurlijke holten(rotshellingen, oude bomen, konijnholen, enz…) als holten die ontstaan door menselijke activiteiten(verlaten steengroeven, ruïnes, oude fabrieken, kerktorens, schoorstenen, enz…). Een gunstige broedplaats wordt steeds opnieuw ingenomen. Het ontbreken van beschikbare holten in landelijke gebieden schijnt een beperkende factor te zijn in de toename van de populatie. Toch worden hierdoor niet overal de lage dichtheden verklaard van deze allesetende soort met schijnbaar onbeperkte mogelijkheden. In het verleden het uithalen van nesten in de bebouwde kommen, het gebruik van insecticiden als omhulling van zaden van bieten en graangewassen vormde de belangrijkste factoren die de populatie beperken, wat nu zeker deze tijd bijna niet meer het geval is.

Voorkomen: In Europa plaatselijke algemene, kolonievogel. Standvogel. Ontbreekt in Noord – Scandinavië, wintergast elders. In België en Nederland talrijke tot zeer talijke broedvogel – jaarvogel – doortrekker en wintergast in zeer groot aantal.

Broedtijd: April – juli, nest in nissen en holten, ook nestkasten, 2 – 7 eieren.

Kenmerken: Lengte 30 – 34 cm, spanwijdte 64 – 74 cm, gewicht 174 – 275 gram, leeftijd 19 jaar.

Voedsel: Kleine dieren, vruchten, zaden, kiemplanten.