Biotoop: De Fuut broedt in ons land op allerlei stilstaand water op voorwaarde dat ze helder zijn en een voldoende visstand herbergen. Oorspronkelijk was hij aangewezen op plassen en meren van meerdere hectaren met een breedte verlandingsgordel van hoofdzakelijk riet, maar de laatste tijd neemt hij genoegen met kleinere en zelfs vegetatieloze waters waarbij het nest dan verankerd wordt aan overhangende of boven het water uitstekende takken. De grootste densiteit wordt nog steeds aangetroffen op visvijvers en in aanverwante eutrofe biotopen, maar er wordt de laatste jaren in toenemende mate genesteld op klei – en zandwinningsputten, opgespoten terreinen, polderkreken en zelfs op fortgrachten en grotere parkvijvers. Overwintert op meren en langs de kust.

Voorkomen: Wijdverspreide standvogel, zomer en wintergast op zoetwater en zee.

Broedtijd: Maart – augustus, nest vaak drijvend, 2 – 6 eieren.

Kenmerken: Lengte 46 – 51 cm, spanwijdte 86 – 90cm, gewicht 570 – 1490 gram, leeftijd 14 jaar.

Voedsel: Vissen en kleine waterdiertjes.