Biotoop: Bevers komen voor in het overgangsgebied tussen land en water zoals moerassen, beken, rivieren en meren. De bever heeft een voorkeur voor rivieren en meren omzoomd door (broek)bossen met bomen als wilg en populier. De aanwezigheid van bossen op de oevers is een vereiste, maar ze gebruiken ook oevers zonder bos.

Voorkomen: In Europa komen tegenwoordig op verschillende plaatsen bevers voor, maar enkel in het stroomgebied van de Elbe in Duitsland, in Zuid-Noorwegen, langs de Rhône in Zuid-Frankrijk, langs de Dnjepr in Wit-Rusland en langs de Don in Europees Rusland hebben oorspronkelijke populaties van bevers zich in stand kunnen houden. Vanuit die vijf kleine populaties zijn verschillende herintroducties uitgevoerd en inmiddels komen in de meeste Europese landen weer bevers voor.

Paartijd: Bevers paren van december tot maart. De jongen worden na ongeveer 105 dagen geboren, blijven vier tot zes weken in de burcht en worden drie maanden gezoogd.Zij zijn territoriaal, de jongen mogen tot de leeftijd van twee jaar bij de ouders blijven, daarna moeten ze hun eigen territorium zoeken.

Kenmerken: De bever is het grootste knaagdier van Europa. Hij heeft korte poten met 5 tenen en aan zijn achterpoten zitten zwemvliezen. De vacht is grijs tot donkerbruin en bestaat uit haren die zo dicht op elkaar zitten dat er geen water tot op de huid kan doordringen. De oren zijn klein. De staart is horizontaal afgeplat en ‘geschubd’. Zeer kenmerkend zijn de grote voortanden, bedekt met een harde laag oranje glazuur, waarmee bevers in staat zijn vrijwel alle houtige gewassen door te knagen.
Lengte kop-romp: 70-100 cm, lengte staart: 25-37 cm (breed: 12-16,5 cm)
gewicht: 15-35 kg. De gemiddelde levensduur is 8-12 jaar, met een maximum van 35 jaar.

Voedsel: Op het menu van de bever staan bladeren, twijgen en bast van bomen (wilg en populier zijn favoriet) en wortelstokken. Ze eten zelden naaldhout. In de zomer eten ze veel kruidachtige water- en landplanten.