Biotoop: Egels houden van zogenaamde randzones, die gekenmerkt worden door een mozaïek van vegetatiepartijen met struiken, bomen en met open gebieden zoals graslanden. De dichte vegetatie biedt dekking bij gevaar en is geschikt voor het maken van een slaapplaats, terwijl in de meer open stukken gefoerageerd wordt.

Voorkomen: De West – Europese Egel kent in West – Europa een verspreiding tot en met het zuiden van Spanje, Portugal en Italië. Naar Oost – Europa neemt de Oost – Europese Egel de plaats in van de West – Europese egel. Beide soorten kennen evenwel een zone van overlap in Oost Europa, in en rondom Tsjechië.

Paartijd: De voortplantingsperiode van de Egel begint kort na de winterslaap(oktober – november tot maart – april) en loopt door tot in juli. De jongen worden groot gebracht in een ruim koepelnest van bladeren. Het mannetje neemt geen deel aan de bouw van het nest en ook niet aan de verzorging van de jongen. 4 tot 7 jongen.

Kenmerken: Lengte 20 – 30 cm, kleine staart, gewicht 800 – 1200 gram, leeftijd 8 jaar.

Voedsel: Egels voeden zich vooral met kleine ongewervelden, zoals kevers, regenwormen, slakken en rupsen. Ook kleine gewervelden dieren, zoals jonge muizen, amfibieën en vogels. Maar ook aas, plantaardig materiaal en allerlei resten van menselijk achtergelaten etenswaren. Daarnaast zijn Egels ook verlekkerd op eieren.