Biotoop: Als enige eend heeft de Zomertaling de voorkeur voor in broekbossen verscholen liggende kleine watertjes en de rietzoom van ondiepe meren. Daar leidt hij het zelfde leven als rallen. Hij loopt, waadt, zwemt en kruipt met het grootste gemak door de vrijwel ondoordringbare plantenwirwar van de verlandingszone. Vorst maakt dit biotoop voor hen ’s winters onbewoonbaar, zodat het echte trekvogels zijn. Ze trekken ’s nachts en overwinteren tot aan de andere kant van de evenaar.

Voorkomen: Zomergast in gematigd Europa, maar in Spanje, Portugal en grote delen van Italië alleen doortrekker. In België en Nederland schaarse tot vrij schaarse broedvogel – wegtrekkend – doortrekker in klein aantal – wintergast in uiterst klein aantal.

Broedtijd: Mei – juli, grondnest – De eend broedt op een droog plekje in een meestal moerassige omgeving. De nestkuil drukt ze met de borst en snavel in de grond, 7 – 11 eieren.

Kenmerken: lengte 37 – 41 cm, spanwijdte 60 – 67 cm, gewicht 350 – 450 gram, leeftijd ouder dan 13 jaar.

Voedsel: Meer slobberend dan grondelend verzamelde waterinsecten, wormen, delen van waterplanten, zaden enz.