Biotoop: Vermits de Torenvalk weinig kieskeurig is bij zijn biotoop keuze, kunnen wij hem zowat overal aantreffen, zelfs in steden. Hij is nochtans minder vertegenwoordigd in boomarme en in intens bebouwde vlakten. Ook binnen grote bosmassieven komt de soort niet voor. Plaatselijke concentraties langsheen autowegen hebben mogelijk de indruk gewekt van een algemene toename.

Voorkomen: In West – en midden – Europa verreweg de talrijkste Valk. In België en Nederland vrij schaarse tot vrij talrijke broedvogel – jaarvogel – doortrekker en wintergast in vrij klein tot vrij groot aantal.

Broedtijd: April – augustus, bouwt geen eigen nest – zij broeden in de verlaten nesten van andere grote vogels, vooral van Kraaien en Eksters. Daarnaast broeden Torenvalken ook in allerlei gebouwen, het liefst zo hoog mogelijk. Zij kiezen daarvoor tegen de wind beschutte gaten in muren. Op hoge kerktorens kunnen losse kolonies worden gevormd. Door het plaatsen van geschikte nestkasten is de populatie sterk toegenomen. Net zoals andere Valken maken ze niet of nauwelijks gebruik van nestmateriaal, 4 – 6 eieren.

Kenmerken: Lengte 31 – 37 cm, spanwijdte 65 – 78 cm, gewicht 130 – 310 gram, leeftijd 23 jaar.

Voedsel: De Torenvalk slaat zijn prooi vrijwel uitsluitend op de grond. Bij de jacht zoekt hij zijn jachtterrein met haastige vleugelslag af, met slechts af en toe een halve of driekwart boog in zweefvlucht. Vaak houdt hij zich in de vlucht biddend in, laat zich trapsgewijs steeds lager zakken en stoot  de laatste paar meters met volle kracht met gesloten vleugels toe op zijn prooi. In de zomer vangt hij vooral insecten, met name sprinkhanen, en daarnaast muizen, hagedissen, kikkers, jonge en ook volwassen vogels, zoals leeuweriken, gorzen en huismussen. Als grootste prooien worden wezel Merel en Kwartel genoegd. Zelden, en meestal ook vergeefs jaagt hij achter vliegende vogels aan. Naar de aard van Valken doodt hij zijn prooi door een beet in de nek.