Biotoop: In wildrijke, bij voorkeur vochtige gedeelten van cultuurland. In middelgebergte zeldzamer en hogere bergstreken ontbrekend.

Voorkomen: Standvogel in het westen en zomergast in het oosten. In België en Nederland uiterst schaarse broedvogel – jaarvogel – doortrekker in uiterst klein aantal – wintergast in uiterst klein aantal.

Broedtijd: Mei – augustus, nest in bomen die ze meestal overnemen van Kraaien en Buizerds, ze voeren het nest met oude lappen, papier en plastic, waarbij ze soms ook vogelverschrikkers voor plunderen of wasgoed van de lijn stelen, 2 – 4 eieren.

Kenmerken: Lengte 61 – 72 cm, spanwijdte 145 – 185 cm, gewicht 950 – 1300 gram, leeftijd 29 jaar.

Voedsel: Zwakke gewervelde dieren, zoals kikkers en reptielen, maar ook aas en afval van stortplaatsen. Ze eten kadavers van dieren die slachtoffer van het verkeer of de maaibalk zijn geworden. Dode vissen en ander eetbaars nemen ze al vliegend van het wateroppervlak op.