Biotoop: De Grauwe Gors komt voor in open cultuur – of weiland, soms in vochtige terreinen die dikwijls leem – of kleihoudend zijn. Hij zoekt voornamelijk gebieden op met een dichte bodembegroeiing(graanvelden of weiden). Als zangpost worden struiken, paaltjes, draden of om het even welke verhevenheid gebruikt die duidelijk uitsteekt boven het omliggend terrein, hoewel dit niet strikt noodzakelijk hoeft te zijn. Naargelang de streek komt de soort nu eens voor in velden dan weer in weidebiotopen. Plaatselijk komt hij er samen voor met het paapje en de Gele Kwikstaart, eveneens een kenmerkende soort van zowel vochtige weiden als van intensieve landbouwgebieden.

Voorkomen: In Europa plaatselijke talrijke, wijdverspreide standvogel. In BelgiĆ« en Nederland uiterst schaarse broedvogel – jaarvogel – doortrekker en wintergast in uiterst klein tot zeer klein aantal.

Broedtijd: Mei – augustus, nest op de grond, 4 – 5 eieren.

Kenmerken: Lengte 18 cm, spanwijdte 29 cm, gewicht 50 – 62 gram, leeftijd 10 jaar.

Voedsel: Zaden, kleine diertjes.