Biotoop: Open gebieden met een mozaïek van kale grond, lage begroeiing en hogere ruigten van bijvoorbeeld akkerdistels. Zulke vegetaties zijn te vinden op dijken, braakliggende terreinen, extensief beweide graslanden en akkerranden.

Voorkomen: Komt in bijna geheel Europa voor als trekvlinder. Vertrekt in het vroege voorjaar vanuit Noord – Afrika noordwaarts en komt in de zomermaanden tot aan de poolcirkel voor. Zeldzaam in Ierland en Schotland.

Vliegtijd: Meerdere generaties. April tot Oktober.

Kenmerken: Spanwijdte 45 – 60 mm.

Levensloop:  De soort gebruikt een enorme variatie aan waardplanten zoals Speerdistel (Cirsium vulgare), Moesdistel (Cirsium oleraceum), Grote brandnetel (Urtica dioica), Muskuskaasjeskruid (Malva moschata), Kruisbes (Ribes uva-crispa). De eieren worden één voor één meestal op de bovenzijde van de bladeren van de waardplant afgezet. De rupsen Houden zich verborgen tussen enkele samengesponnen bladeren. In dit spinsel leeft de rups van de bladeren. Wanneer het blad opgegeten is, maakt de rups een nieuw nest, dit is steeds op de zelfde plant. De verpopping vindt plaats in een los spinsel van bladeren. De vlinder worden op nectarplanten aangetroffen maar niet op rottend fruit.