Biotoop: Open landschappen met water. Min of meer zwervende vogel, die zich in gebieden ophoudt en broedt waar hij voldoende voedsel kan vinden. Neemt het voedselaanbod af, dan verdwijnt hij weer.

Voorkomen: Het gehele jaar nomadisch / gefragmenteerd in het grootste deel van Europa, in de zomer inclusief noord – Europa. In België en Nederland uiterst schaarse tot zeer schaarse broedvogel – jaarvogel – gedeeltelijk wegtrekken – doortrekker en wintergast in uiterst klein tot zeer klein aantal.

Broedtijd: April – augustus, grondnest – de velduil is de enige uil die een nest kan bouwen – waarschijnlijk een noodzakelijkheid in de vaak moerassige streken waar hij broedt. Het wijfje broedt alleen en zeer vast, 3 – 5 eieren die met tussenpauzen van 2 dagen worden gelegd – in jaren met een overaantal van muizen kan dit aantal tot 10 of meer stijgen.

Kenmerken: Kleiner dan een Buizerd, lengte 33 – 40 cm, spanwijdte 95 – 110 cm, gewicht 300 – 500 gram, leeftijd 20 jaar.

Voedsel: De Velduil zoekt zijn prooi vanaf middelmatige hoogte met de ogen en niet met het gehoor. Hij rust graag op stenen en palen, maar vrijwel  nooit in bomen. Vooral in de schemering is hij actief. Nu en dan staat hij biddend stil op een plaats om beter te kunnen kijken. Verreweg zijn belangrijkste buit wordt gevormd door muizen en ook lemmingen. In een voedselrijk jachtgebied legt hij rond het nest een voorraad dode muizen aan. Naast deze knaagdieren vangt hij ook op de grond levende vogels, die hij vooral in hun slaap verrast. Ook eet de Velduil ratten, hamsters en jonge eenden. In de buurt van zeevogelkolonies specialiseert hij zich in de broedtijd volledig op kuikens hiervan.