Biotoop: In de broedtijd op heldere, visrijke rivieren en meren met geboomte op de oevers. In de winter op stuwmeren, plassen en deels ook op inhammen in de zee.

Voorkomen: Broedgebieden in Europa zijn o.a. Scandinavië, IJsland, Alpen, Zwarte woud en de Donaudelta. In België en Nederland wintergast in vrij klein tot vrij groot aantal.

Broedtijd: Eind maart – augustus, holenbroeder, bij voorkeuren broeden ze in holle bomen en liefst op grote hoogte, maar ook in rotsspleten, ruïnes, schuren en op silo’s, 8 – 12 eieren.

Kenmerken: Lengte 58 – 68 cm, spanwijdte 82 – 97 cm, gewicht 1500 – 2000 gram, leeftijd 13 jaar.

Voedsel: Hoofdzakelijk vingerlange visjes, slechts zelden grotere en in het voorjaar ook kikkers. In ondiep water drijven Grote Zaagbekken de vis door vleugelslagen in een kleine inham, waarna ze duiken en de prooi met hun getande snavel grijpen. Ze jagen vaak paarsgewijs of samen met de middelste zaagbekken.  Aanvullend voedsel zijn ook schelpdieren en slakken.