Biotoop: De Kneu broedt in een grote verscheidenheid van biotoop zoals woeste gronden, duinen, heiden, parken, bosranden, jonge aanplantingen, veldbosjes, boomgaarden, kerkhoven, met struiken begroeide spoorweghellingen, enz. Hij vermijdt nochtans steden en schijnt niet te broeden in bosmassieven. Struiken van verschillende aard schijnen te volstaan mits er in de omgeving open ruimten te vinden zijn met lage en niet te dichte begroeiing. Soms is er een scheiding tussen deze twee gedeelten van zijn biotoop en kunnen de plaatsen waar voedsel wordt gezocht zich op grote afstand bevinden van de plaats waar het nest zich bevindt.

Voorkomen: Wijdverspreide standvogel, zomergast in het noorden en oosten van Europa, In België en Nederland uiterst schaarse broedvogel – wegtrekkend – doortrekker in uiterst klein aantal.

Broedtijd: April – juli, nest in struiken, 4 – 6 eieren.

Kenmerken: Lengte 11 – 12,5 cm, spanwijdte 21 – 25 cm, gewicht 19 – 26 gram, leeftijd 10 jaar.

Voedsel: Zaden.